|
De feminisering van het basisonderwijs |
|
|
|
|
Geschreven door Administrator
|
|
Effecten van het geslacht van de leerkrachten op de prestaties.
De feminisering van het onderwijs staat momenteel sterk in de belangstelling, en wel op een niet-positieve wijze. Het idee is namelijk dat doordat het aantal mannelijke leerkrachten in het onderwijs afneemt, het hierdoor bij jongens aan mannelijke rolmodellen ontbreekt, wat tot consequentie zou kunnen hebben dat hun prestaties, houdingen en gedrag daardoor negatief beïnvloed worden.
Een recente enquête uitgevoerd in opdracht van Het Onderwijsblad (Sikkes, 2004) liet zien dat bijna driekwart van het personeel in het basisonderwijs feminisering als een probleem ziet. Vervolgens vindt 55% van de mannen dat feminisering de kwaliteit van het onderwijs bedreigt; van de vrouwen is 40% die mening toegedaan. Tweederde meent dat de feminisering slecht is voor de sociaalemotionele ontwikkeling van jongens; jongens zouden volgens hen mannelijke rolmodellen nodig hebben. Tot zover de opinies van de betrokkenen. Maar hoe staat het nu met de feiten? In een begin 2004 verschenen themanummer van het blad Pedagogiek over de feminisering van het onderwijs en het daarmee verband houdende ‘jongensprobleem’ wordt een poging ondernomen tot een empirische onderbouwing te komen. In de Verenigde Staten, Engeland en Australië blijkt de discussie al veel langer en heftiger te worden gevoerd. Onderzoek naar de vermeende negatieve effecten is echter nauwelijks voorhanden. Dat geldt voor het buitenland; volgens Pedagogiek is er in Nederland in het geheel nog geen onderzoek naar de gevolgen van feminisering verricht.
Om deze leemte te vullen heeft het Ministerie van OCW het ITS verzocht hier een onderzoek naar uit te voeren. Dat dient kort samengevat antwoord te geven op de volgende vragen:
- Hoe is de verdeling van het aandeel mannelijk en vrouwelijk personeel in het basisonderwijs? Zijn er daarbij verschillen naar functiecategorie en jaargroep waarin de leerkrachten lesgeven?
- Zijn er verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke leerkrachten wat betreft hun achtergronden, de groep waaraan ze lesgeven en de pedagogisch-didactische aanpak die ze daarbij hanteren?
- Zijn er verschillen in cognitieve en niet-cognitieve competenties tussen jongens en meisjes?
- Wat is de relatie tussen verschillen in competenties van de leerlingen met het geslacht van de leerkrachten van wie ze les hebben gehad? Zij er daarbij ook samenhangen met het geslacht, de etnische herkomst en het sociaal milieu van de leerlingen? En welke relatie is er met de kenmerken waarop mannelijke en vrouwelijke leerkrachten van elkaar verschillen?
- Hoe verhouden de bevindingen van het onderhavige onderzoek zich tot de resultaten uit internationale studies?
Lerarenistroom naar geslacht (in Lerarenopleidingen)
| |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
| leraar bo |
| man |
1.826 |
1.970 |
1.724 |
1.533 |
| vrouw |
9.086 |
8.745 |
8.056 |
7.289 |
| leraar so |
| man |
808 |
712 |
381 |
407 |
| vrouw |
3.732 |
3.478 |
2.693 |
2.696 |
| overige hbo-lerarenopleidingen |
| man |
154 |
79 |
92 |
79 |
| vrouw |
171 |
179 |
136 |
165
|
|