|
Geschreven door Administrator
|
|
Financieel-Economische Zaken Het wettelijke stelsel van sociale zekerheid is een publiek stelsel dat bedoeld is om inkomen en/of rechtsbescherming te garanderen voor personen tijdens pensioen, ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Werknemers in het onderwijs vallen onder dit stelsel van sociale zekerheid. Daarnaast gelden er voor het onderwijs een aantal specifieke (bovenwettelijke) regelingen.
De afspraken zijn gemaakt door de minister van OCW en de sociale partners in het onderwijs. Over het pensioen worden afspraken gemaakt in de Pensioenkamer. Hierin hebben sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel zitting.
Voor ouder onderwijspersoneel bestaan er (naast het pensioen) ook diverse seniorenregelingen, zoals de BAPO-regeling en het FPU-pensioen. BAPO is een afkorting van Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen. FPU staat voor Flexibel Pensioen en Uittreden.
Pensioen en seniorenregelingen
De AOW-gerechtigde leeftijd is 65 jaar. De leeftijd waarop leraren met pensioen kunnen gaan, hangt echter voornamelijk af van de (aanvullende) pensioenregeling van het ABP. Ook zijn de geboortedatum en de werksituatie van belang.
Docenten die zijn geboren vóór 1 januari 1950 kunnen gebruik maken van het ouderdomspensioen. Daarnaast kunnen ze ook kiezen voor de FPU-regeling of BAPO-regeling. Docenten die zijn geboren op of na 1 januari 1950 kunnen gebruik maken van het keuzepensioen en (onder voorwaarden) van de BAPO-regeling.
Pensioenreglement
De pensioenregelingen voor werknemers in het onderwijs worden bepaald in de Pensioenkamer. Hierin hebben sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel zitting. De regelingen zijn vastgelegd in het (ABP-)Pensioenreglement. Meer informatie
Opbouw pensioen
Docenten bouwen automatisch pensioen op (oudersdomspensioen of keuzepensioen). Een deel van het brutosalaris wordt via premie voor het pensioen gereserveerd. Het pensioen wordt verder aangevuld met het werkgeversdeel. Beide delen worden gestort in het pensioenfonds ABP.
In de pensioenregelingen voor onderwijs en overheid geldt vanaf 1 januari 2004 een voorwaardelijk geïndexeerd middelloonsysteem. Onder dit systeem wordt elk jaar pensioen opgebouwd over het pensioengevend salaris van datzelfde jaar. Alle jaarlijks opgebouwde delen vormen samen het pensioen. Dit pensioen is nu dus gebaseerd op de gemiddeld verdiende jaarsalarissen. Eerder was het pensioen alleen gebaseerd op het laatstverdiende salaris.
Eenmaal opgebouwde pensioenaanspraken worden geïndexeerd volgens de algemene loonstijgingen. Deze indexatie kan echter worden beperkt wanneer de financiële positie van het ABP daartoe aanleiding geeft.
Ouderdomspensioen
Leraren die zijn geboren vóór 1 januari 1950 kunnen gebruik maken van het ouderdomspensioen. Ze kunnen dit pensioen vanaf 65 jaar in laten gaan. Maar ze kunnen er ook voor kiezen om pas op 70-jarige leeftijd te stoppen met werken. Uiteraard geldt daarbij dat hoe later men stopt met werken, des te hoger de ouderdomspensioenuitkering is.
Keuzepensioen
Leraren die op of na 1 januari 1950 geboren zijn, kunnen met het keuzepensioen tussen het 60e en 70e levensjaar (gedeeltelijk) stoppen met werken.
FPU-regeling
Met de FPU-regeling kunnen leraren die geboren zijn vóór 1 januari 1950 vanaf hun 55e jaar (gedeeltelijk) met vervroegd pensioen. Ze ontvangen dan tot hun 65e jaar FPU-pensioen. Hierbij kunnen ze gedeeltelijk blijven werken (inverdienen). De inkomsten uit hun werk worden verrekend met de FPU-uitkering. Na hun 65e hebben ze recht op ouderdomspensioen. Hoe later men stopt met werken, des te hoger is de pensioenuitkering.
Voorwaarden Leraren kunnen gebruikmaken van het FPU-pensioen als ze: vóór 1 januari 1950 zijn geboren; vanaf 1 april 1997 onafgebroken in dienst zijn geweest bij een werkgever die bij het ABP aangesloten is. Levensfasebewust personeelsbeleid Om het voor FPU-ers aantrekkelijker te maken om weer (gedeeltelijk) voor de klas te gaan staan, is de FPU-inverdienregeling in september 2008 aangepast. Zie ook Aanpassing FPU-regeling.
BAPO-regeling
Leraren kunnen vanaf hun 52e jaar gebruik maken van de BAPO-regeling. Deze regeling maakt het mogelijk om extra verlof op te nemen, tegen inlevering van een percentage van het salaris. Leraren van 52 tot 56 jaar kunnen maximaal 104 roosteruren per jaar aan verlof opnemen (inclusief de niet lesgebonden uren komt dit neer op ongeveer 170 klokuren). Leraren van 56 jaar en ouder kunnen maximaal 208 roosteruren per jaar aan verlof opnemen (inclusief de niet lesgebonden uren komt dit neer op ongeveer 340 klokuren). De omvang van het BAPO-verlof dient bij een deeltijdbetrekking naar rato te worden vastgesteld, waarbij de uitkomst minimaal 45 uur verlof per jaar moet zijn.
Over de verlofuren blijft men gedeeltelijk salaris ontvangen, namelijk 65%.
De BAPO-regeling is een secundaire arbeidsvoorwaarde, die officieel niet onder het wettelijke stelsel van sociale zekerheid valt. De afspraken over deze regeling zijn decentraal gemaakt. Vervolgens is de BAPO-regeling in de cao vastgelegd.
Voorwaarden Leraren kunnen gebruik maken van de BAPO-regeling als ze: 52 jaar of ouder zijn; voorafgaande aan het moment waarop ze gebruik willen maken van de regeling, minstens 5 jaar in dienst zijn geweest bij een school die wordt bekostigd door OCW. Levensfasebewust personeelsbeleid De BAPO-regeling is in het leven geroepen om volledige uitval van oudere onderwijsgevenden te voorkomen. Met de BAPO-regeling kunnen docenten gedeeltelijk blijven werken. Zie ook Aanpassing BAPO-regeling.
|
l.s.
Ik ben geboren op 11-10-1950. Mag ik er van uitgaan dat de bapo die ik al sedert mijn 52e geniet blijft bestaan volgend schooljaar??
gr. Hans Faber